Gouden letters - Het Pantheon, Agrippa en het theater van Mérida

  • Algemeen
  • Sjef Kemper

Het volgend artikel komt uit Hermeneus 88-1 (2016).

Sjef Kemper is oud-universitair docent Latijn aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij publiceerde diverse artikelen over Plautus, Plinius de Jongere, Cicero, Latijnse graffiti en retorica


‘En die letters in het Pantheon dan? Die zijn niet van steen, maar juist niet van steen. Daar is de steen nu juist weggehakt: dat heb ik Theo Kern ook wel eens zien doen. Die zijn van niks. Je hebt soms toch ook een lichaam zonder ziel?’

De jonge Quinten Quist stelt deze vraag in Harry Mulisch’ De ontdekking van de hemel (p. 550) aan zijn docent ‘meneer Spier’ naar aanleiding van diens uitleg over de Quadrata, ‘de mooiste kapitaal aller tijden’. In het kader van de zoektocht naar ‘Het gebouw’ is er voordien sprake geweest van het Pantheon dat wel het dichtst in de buurt zou komen van dat ideale gebouw.

Wanneer Quinten dan ook later Rome bezoekt is hij verbijsterd door de aanblik van het Pantheon (p. 711-2): ‘Het Pantheon! Daar stond het in het echt! Het was Quinten alsof het niet waar was wat hij zag. De Romeinse tempel van alle goden [...] als een ding dat niet alleen stamde uit een andere tijd, maar ook uit een andere ruimte – zoals soms overdag opeens een onrustbarend beeld opdook uit een droom van de voorafgaande nacht.’ En dan ziet hij de inscriptie:

M•AGRIPPA•L•F•COS•TERTIUM•FECIT

‘De Quadrata! Daar waren ze, die schitterende, bezielde letters op de architraaf boven de acht zuilen, onder de twee driehoekige tympanons, waar Palladio zo goed naar had gekeken: Marcus Agrippa, de zoon van Lucius, zou dit tijdens zijn derde consulaat hebben gemaakt, maar in werkelijkheid was het keizer Hadrianus, zoals meneer Themaat hem had geleerd.’ (zie afbeelding bovenaan)

Mulisch heeft zich in elk geval goed georiënteerd in de literatuur, want honderd jaar geleden dacht men nog dat het huidige gebouw met de beroemde koepel werkelijk uit de tijd van Agrippa stamde. Wat de letters van de inscriptie betreft sjoemelt hij wel behoorlijk, omdat deze allesbehalve ‘van
niks’ zijn.1

De inscriptie: de materie
Vanaf de augusteïsche periode was het de gewoonte om bij grote officiële inscripties eerst in de ondergrond sleuven (alveoli) aan te brengen die de vorm van de letters bepaalden. Vervolgens werden er in deze sleuven op bepaalde plaatsen (afhankelijk van de letter die er geplaatst moest worden) gaten geboord waarin de letters bevestigd werden. Dit systeem is goed te zien bij de inscriptie op de triomfboog van keizer Claudius voor de verovering van Britannia (afb. 2). Vervolgens moesten de (meestal) vergulde bronzen letters (litterae auratae) met de daartoe speciaal aangebrachte deuvels middels lood en lijm in de gaten verankerd worden.2

Zoals meestal het geval was met kostbare metalen, werden ook bronzen letters na de val van het Romeinse rijk verwijderd en omgesmolten. Heel sporadisch komt het dan ook maar voor dat er dergelijke kapitalen gevonden worden. Een uniek voorbeeld hiervan zijn de vergulde bronzen letters die bij een opgraving in Bucova (Roemenië) te voorschijn gekomen zijn en zich tegenwoordig in het Nationaal Museum te Budapest bevinden. Ook bij het Pantheon zijn al vroeg de ongetwijfeld vergulde bronzen letters verdwenen, maar de beddingen van de letters in de architraaf bleven natuurlijk zichtbaar zoals onder meer blijkt uit de beroemde ets van Piranesi (afb. 4). Pas bij de grote restauratie in 1894 zijn de huidige bronzen letters aangebracht. Uit de rekening van de bronsgieterij voor de 25 letters blijkt dat er wel een patina (kunstmatige oxidatielaag) is aangebracht op het brons, maar dat vergulden helaas te duur was.

De inscriptie: de ziel
De grote inscriptie op het Pantheon is zonder enige twijfel de bekendste en de meest gelezen in Rome, maar is wat het Latijn betreft niet de eenvoudigste. Dat ligt niet aan de letters, maar aan de woorden cos.tertium. Mulisch vertaalt (in navolging van vele anderen) ‘tijdens zijn derde consulaat.’ Het derde consulaat van Agrippa was in 27 v.Chr. en daarmee komen wij in conflict met de geschiedschrijver Dio Cassius die uitdrukkelijk vermeldt (53, 27, 1-2) dat het Pantheon in 25 v.Chr. is ingewijd. Tertium behoort tot de klasse van de getalsadverbia (adverbia numeralia) en geeft antwoord op de vraag ‘voor de hoeveelste keer?’ Het hoort thuis in het rijtje primum, iterum enzovoort. Volgens de oude maar veelgebruikte grammatica van Zumpt (Grammatik der lateinischen Sprache 18449, 117) was er in de oudheid al geen echte overeenstemming over wat de juiste vorm moest zijn, omdat er ook de mogelijkheid bestond om deze adverbia met de vormen op -o weer te geven (primo, secundo, tertio enzovoort). Volgens Zumpt moeten wij op grond van de klassieke auteurs de voorkeur geven aan de vormen op -um.3

Aulus Gellius
De tekst waarnaar Zumpt verwijst is Aulus Gellius Noctes Atticae 10, 1, waarin Gellius aan een bekende van hem schrijft dat hij hem al voor de derde keer geschreven had, en hij gebruikt daarvoor de term tertium. De correspondent vraagt daarop waarom Gellius tertium gebruikt en niet tertio. Gellius beroept zich vervolgens op het gezag van de geleerde Varro die een versregel uit de Annalen van Ennius aanhaalt (Quintus pater quartum fit consul: ‘Quintus [Fabius Maximus] senior wordt voor de vierde keer consul’) en uitlegt dat de vorm op -o betrekking heeft op de plaats in de volgorde en de vorm op -um op de volgorde in de tijd. Bovendien stipt Varro de onzekerheid van Pompeius aan die niet goed wist met welke vorm hij zijn derde consulaat in de inscriptie op zijn theater moest zetten. Hierna vertelt Gellius de volgende anekdote over de betreffende inscriptie.

Wat Varro alleen maar cryptisch aanduidt met betrekking tot de inscriptie van Pompeius, daarover schrijft Tiro, de vrijgelatene van Cicero, uitgebreider in een of andere brief in ongeveer de volgende bewoordingen: ‘Toen Pompeius’, zo zegt hij, ‘de Victoriatempel zou inwijden, waarvan de treden op die van een theater leken, vroeg hij zich af, toen zijn naam en zijn functie erop aangebracht moesten worden, of het ‘consul tertio’ of ‘consul tertium’ moest zijn. Om dit nu eens precies uit te zoeken legde hij het voor aan de knapste mannen van de staat. Zij waren het onderling oneens en een deel van hen zei dat het tertio moest zijn en een ander deel tertium. Hij vroeg daarom aan Cicero wat hem juist leek om op te schrijven. Cicero schijnt toen bang geweest te zijn een oordeel te vellen over geleerde mannen, om te vermijden dat hij met het geven van een negatief oordeel over hun opinie daarmee ook een negatief oordeel over henzelf gegeven zou hebben. Hij heeft derhalve Pompeius aangeraden dat hij geen tertium of tertio zou moeten laten schrijven, maar dat hij het woord slechts tot de tweede t met letters moest uitschrijven, zodat, hoewel het woord niet helemaal uitgeschreven was, er toch duidelijkheid was over de inhoudelijke betekenis ervan. De feitelijke schrijfwijze zou daarmee in het midden gelaten worden.’

Vervolgens voegt Gellius hier nog het volgende uit eigen observatie aan toe: ‘Wat Varro en Tiro hierover gezegd hebben, staat echter niet op de inscriptie van het huidige theater. Want toen de achterwand van het toneel vele jaren later ingestort was en daarna hersteld werd, bleek het aantal consulaten niet met letters tot de tweede t geschreven te zijn, maar stonden er slechts drie strepen.’

Agrippa
Als Maecenas de ‘Minister van Cultuur’ van Augustus genoemd mag worden, kan Agrippa met recht de titel van ‘Minister van Defensie van het rijk’ opeisen. Hij was niet alleen als generaal en als admiraal verantwoordelijk voor de grote overwinningen die Augustus te land en ter zee behaalde, maar hij zorgde daarna ook voor de stabilisering van de nieuwe orde. Uiteindelijk werd hij door zijn huwelijk met Julia Augustus’ schoonzoon en zelfs mederegent, zoals onder meer blijkt uit de redevoering die Augustus bij zijn crematie in het jaar 12 v.Chr. op het Marsveld heeft uitgesproken. Bovendien had Agrippa nog vele andere kwaliteiten die niet alleen de stad Rome ten goede kwamen. Zo was hij op eigen kosten opdrachtgever voor de aanleg en het onderhoud van grote aquaducten, waaronder de Aqua Virgo die (via de latere Trevifontein) eindigde bij de baden van Agrippa achter het ook door hem gebouwde Pantheon. De monumentale bronzen pijnappel in de Cortile della pigna in de Vaticaanse musea was een fontein die tot dit complex behoorde dat bovendien alle dagen gratis toegankelijk was voor de gehele Romeinse bevolking.

Agrippa en het theater van Mérida
Agrippa was ook nauw betrokken bij de uiteindelijke pacificatie van het westelijk deel van Spanje. Net als in Rome liet hij er grote bouwwerken oprichten tot nut en ver fraaiing van de nieuwe steden. Dat gebeurde onder meer in Mérida. Gesticht door Augustus in het jaar 25 v.Chr. groeide de colonia Augusta Emerita als latere hoofdstad van de provincie Lusitania snel uit tot een belangrijk steunpunt in het westen. Agrippa liet (waarschijnlijk als patronus van de stad) in Mérida een theater bouwen dat met zijn capaciteit van bijna 6.000 toeschouwers tot de grootste in het westelijk deel van het Romeinse rijk behoorde. In de loop der tijden zijn er in de oudheid heel wat uitbreidingen en restauraties aangebracht die door inscripties geattesteerd worden (uit de tijd van Claudius, Hadrianus en Constantijn). In het theater zijn boven de uitmonding van de twee hoofdtoegangen (aditus maximi, parodoi) in de orchestra twee identieke inscripties te zien (afb. 5) met de tekst:

M.AGRIPPA L.F. COS III TRIB.POT. III

In combinatie met de ons bekende titulatuur van Agrippa's carrière levert dit een datum op van 16 v.Chr. Beide inscripties zijn niet direct in de steen gehouwen, maar in stucwerk aangebracht en waren waarschijnlijk rood geverfd (vage verfsporen waren aan het begin van de vorige eeuw nog zichtbaar). De plaats van de inscripties is opvallend (onder de beide ereloges, de tribunalia), omdat wijdingsinscripties eerder aan de buitenzijde van dergelijke gebouwen te verwachten zijn.

Richmond heeft in 1930 ontdekt dat er zich inderdaad aan de buitenzijde, boven de oostelijke ingangsboog die naar de tunnel onder de cavea leidt, een inscriptie bevindt (afb. 6). Een identieke inscriptie moet zich ook aan de westelijke buitenzijde bevonden hebben. Alleen de gaten waarin de bronzen letters vastgezeten hebben zijn nog zichtbaar en ook is het rechterdeel van de steen verdwenen (afb. 7). Op basis van deze deuvelgaten (er waren geen sleuven gemaakt die de contouren van de letters moesten aangeven zoals bij het Pantheon, wat erop duidt dat de letters niet al te groot en zwaar geweest zullen zijn) kwam Richmond (1930, 116) tot de volgende reconstructie:

Dat zou betekenen dat wij eindelijk een inscriptie hebben die de suggestie van Cicero volgt!4 Richmond gaat er vanuit dat er na de brand aan het begin van de 2de eeuw een grondige renovatie van het theater door Hadrianus heeft plaats gevonden. De oorspronkelijke inscripties aan de buitenzijde zouden verwijderd zijn en met stuc bedekt. Ter vervanging hiervan zouden aan de binnenzijde bij de twee tribunalia de eerder genoemde inscripties aangebracht zijn. Vreemd blijft dan wel dat de inscripties niet volledig identiek zijn: aan de binnenzijde wordt het derde consulaat (en het derde tribunaat) met streepjes weergegeven, en aan de buitenzijde in de oorspronkelijke versie met letters uitgeschreven tot de tweede t.

In de laatste grondige studie van de inscripties van Mérida komt Ramírez Sádaba (2003, 30-2) tot de conclusie dat de reconstructie van Richmond niet correct is en dat er na precieze nameting van de afstand tussen de deuvelgaten en de ruimte in het ontbrekende deel, toch in beide gevallen strepen hebben gestaan als aanduiding van consulaat en tribunaat.

Sparta en Efesos
Agrippa was als ‘gelijke’ van Augustus de rijkste en meest invloedrijke Romein van zijn tijd. Dankzij zijn ongebreidelde euergetisme, zowel in Rome als in de provincies, was hij ook een van de allergeliefdste (afb. 8). Het zal dan ook geen verbazing wekken dat hij in verscheidene inscripties met dankbaarheid genoemd wordt. Een Griekse inscriptie in het Rijksmuseum van Oudheden (Pleket nr. 5, p. 11) is opgesteld door de φιλαγριππαὶ συμβιωταί (de associatie van ‘vrienden van Agrippa’) en in Sparta heeft zich ooit een tweetalige inscriptie bevonden (Inscriptiones Graecae 5.1.374 = Corpus Inscriptionum Latinarum 3.494) waarin de Ἀγριππιασταί hun eer betonen aan Agrippa. Hierin wordt Agrippa in elk geval als COS TERT aangeduid.

Een nog bestaand voorbeeld levert ons de ‘Poort van Mazaeus en Mithridates’ in Efesos. Hier vereren de vrijgela- tenen Mazaeus en Mithridates met een grote inscriptie (het waren vanzelfsprekend vergulde letters!) Augustus en zijn familie, waartoe ook Agrippa hoorde door zijn huwelijk met Julia. Breed uitgemeten boven de drie bogen staan eerst links de namen van Augustus en Livia en boven de rechterboog die van Agrippa en Julia. In de titulatuur van Agrippa staat duidelijk COS TERT.
 
Drie conclusies
In het Latijn van de 1ste eeuw v.Chr. werd er al gedebatteerd over het juiste gebruik van de getalsadverbia en ondanks het gezag van Varro en Zumpt kan men op grond van de digitale beschikbaarheid van (bijna) alle Latijnse teksten tot de slotsom komen dat beide vormen gebruikelijk waren. Zo worden de vormen op -o al in de didascaliae (toelichtingen op de inhoud en opvoeringsgegevens) van Terentius gebruikt en ook bij Cicero zijn zij niet ongewoon.

Tertium wil dus niet zeggen dat het Pantheon in 27 v.Chr. gebouwd is: het is een terminus post quem: Agrippa was een man met drie consulaten op zijn naam. Er is veel geschreven over de vermeende authenticiteit van de Pantheon-inscriptie. Mary Boatwright (2014, 261) denkt dat de inscriptie meer over Hadrianus zegt dan over Agrippa, en Simpson (2009, 155) gaat zelfs zover dat hij in de formulering COS TERT een propagandistische tekst van Hadrianus ziet, namelijk een aanmoediging voor niet-adellijken om het hoogste na te durven streven.

Dankzij de inscripties uit het theater van Mérida kunnen wij constateren dat Hadrianus bij zijn ‘restauraties’ weinig tot niets aan de formuleringen veranderde en mede op grond hiervan kunnen wij er redelijk zeker van zijn dat in het geval van het Pantheon van Hadrianus de betreffende tekst (zij het waarschijnlijk in kleinere letters) ook op het oorspronkelijke bouwwerk van Agrippa heeft gestaan.

Beknopte bibliografie
Mary T. Boatwright, Agrippa’s Building Inscriptions, Zeitschrift für Papyrologie und Epigraphik 189 (2014) 255-64.
Rosalía-María Durán Cabello, El teatro y el anfiteatro de Augusta Emerita. Contribución al conocimiento histórico de la capital de Lusitania (Oxford 2004).
Alison E. Cooley, The Cambridge Manual of Latin Epigraphy (Cambridge 2012).
Zsolt Mráv, Litterae aureae aus Dazien in der Sammlung des Ungarischen Nationalmuseums, Folia Archaeologica 51 (2003-4) 61-80.
H.W. Pleket, The Greek Inscriptions in the ‘Rijksmuseum van Oudheden’ at Leyden (Leiden 1958).
Lindsay Powell, Marcus Agrippa. Right-Hand Man of Caesar Augustus (Barnsley 2015).
José Luis Ramírez Sádaba, Catálogo de las inscripciones imperiales de Augusta Emerita (Mérida 2003).
I.A. Richmond, The First Years of Emerita Augusta, Archaeological Journal 87 (1930) 98-116.
Jean-Michel Roddaz, Marcus Agrippa (Rome 1984).
Ilaria Romeo, Ingenuus Leo. L’immagine di Agrippa (Roma 1998).
Frank Sear, Roman Theatres. An Architectural Study (Oxford 2006).
Ivan di Stefano Manzella, Mestiere di epigrafista. Guida alla schedatura del materiale epigrafico lapideo (Roma 1987).
Christopher J. Simpson, The Pantheon’s Inscription, CIL 6.896. Its Date of Composition, Cultural Context, and Message, Athenaeum 97 (2009) 149-57.

Noten

  1. Het is goed mogelijk dat Mulisch omwille van zijn betoog suggereert dat er geen feitelijke letters aanwezig zijn, zoals hij ook cr yptisch de leeftijd van Quinten aangeeft met het aantal zuilen van de portico.
  2. Voor dit procedé (en andere) verwijs ik naar Di Stefano Manzella (1987) 139 en volgende.
  3. Op het punt van de getalsadverbia laten de moderne grammatica’s het ofwel nagenoeg afweten (Kühner- Holzweissig p. 1006) ofwel nemen zij de conclusies van Zumpt over (Leumann-Hofmann-Szantyr p. 214).
  4. De reconstructie van Richmond wordt overgenomen in de standaardwerken van Di Stefano Manzella (1987, 181-2) en Cooley (2012, 438-9).

Deel deze pagina