De taal van de Latijnse dichters

19 03 19

Onder meer door het gebuik van een metrum verschilt de taal der Latijnse dichters van die van het proza. Centraal staat in deze lezing de klassieke dichtkunst, in het bijzonder Vergilius, de meest invloedrijke dichter. We concentreren ons op typische, geregeld voorkomende bijzonderheden, bv. poëtische woorden (o.a. poëtische samenstellingen en afleidingen; de kwestie ‘unpoetische Wörter’); de Griekse accusatief, (in)transitivering, de verschuiving van subject en object, de forse uitbreiding van het gebruik van de infinitief; parataxis en de dichterlijke periode, de woordorde (geliefde patronen; betekenisvolle plaatsing van woorden); en daarnaast mythologische en geografische geleerdheid. De kennis van deze fenomenen is van belang om de Latijnse dichters vlotter te kunnen lezen, maar ook om hun profiel correcter te kunnen inschatten.

Deel deze pagina